... in het verhaal van Jehanne, en voor dit boek.
De periode van 29 april tot en met 8 mei 1429 was een beslissende 10-daagse waarop Jehanne de geschiedenis van Frankrijk deed kantelen.
Op 29 april bereikte ze Chécy en ’s avonds trok ze Orléans binnen via Porte de Bourgogne. Ze nam haar intrek bij Jacques Boucher, de schatbewaarder van de hertog.
De stad kreunde al maanden onder het beleg van de Engelsen, en daar verscheen een jong meisje uit de verre grensstreek van Domremy. Geen vorstin (alhoewel…?), geen legeraanvoerster van geboorte, geen vrouw van macht – alleen Jehanne, met haar overtuiging, haar banier en haar ontembare vertrouwen.
Voor de inwoners van Orléans moet het gevoeld hebben alsof, midden in rook, angst en uitputting, ademen plots opnieuw mogelijk werd. Niet omdat alles al gewonnen was, maar omdat de hoop zelf was aangekomen.
Soms begint een ommekeer in de geschiedenis niet met een veldslag, maar met een intocht.
Op 3 mei vond toen het oude kerkelijke feest van de Kruisvinding plaats, in het Latijn Inventio Crucis. Men herdacht daarmee volgens de christelijke traditie de ontdekking van het Ware Kruis door de heilige Helena, de moeder van keizer Constantijn.
Voor die gelegenheid trok een processie door de belegerde stad. Dat was meer dan een liturgisch detail. Midden in angst, uitputting en belegering droeg dat feest een krachtige symboliek in zich: lijden, volharding, hoop – en de belofte dat het kruis niet het laatste woord had. Misschien is dat precies waarom deze dag zo mooi past in Jehanne’s verhaal: tussen haar intocht in Orléans en de eerste grote doorbraak van 4 mei ligt eerst nog die processie. Eerst het kruis. Dan de ommekeer.
In de westerse kerk viel dat feest eeuwenlang op 3 mei, vandaag staat die feestdag niet meer op de gewone kalender van de Rooms-Katholieke Kerk. In 1960 werd dat aparte feest uit de algemene Romeinse kalender geschrapt, omdat men de herdenking van het Kruis voortaan vooral op 14 september, het feest van de Kruisverheffing, concentreerde.
Op 4 mei 1429 veranderde de toon: de eerste Engelse bastille – Saint-Loup – viel. Wat op 29 april begon met Jehanne’s intocht in Orléans, werd nu tastbaar: de belegerde stad was niet langer alleen aan het overleven – zij begon terug te slaan.
Op 5 mei 1429 was het toen Hemelvaartsdag. Geen gevecht op zo’n dag, maar wel woorden die wogen. Jehanne liet de Engelsen een ultimatum sturen. Ook dat was haar kracht: niet alleen strijden, maar eerst nog eenmaal oproepen tot vertrek.
6 mei 1429.
De bastille van de Augustins wordt ingenomen. Stap voor stap wordt de greep rond Orléans gebroken. De overwinning valt niet in één klap uit de hemel – zij wordt bevochten, stelling na stelling.
Op 7 mei 1429 valt het fort des Tourelles. Dit is een van de grote dagen in Jehanne’s verhaal. Zij raakt gewond, maar keert terug. Juist daarin ligt misschien haar grootste kracht: niet dat zij niet getroffen werd, maar dat zij doorging.
8 mei 1429: de Engelsen heffen het beleg van Orléans op. Wat maandenlang onmogelijk leek, gebeurt toch. De stad is bevrijd. Daarom blijft 8 mei, tot vandaag, een van de meest betekenisvolle data in het hele verhaal van Jehanne Darc.
Toevallig(?) zal mijn boek klaar zijn op 8 mei. Nog tot die datum verkrijgbaar aan de voorverkoopprijs van 35 euro plus verzendingskost.
